SANSKRIT (1)

Column 03.20 van Ad Blankestijn

Veel beoefenaren van de vergelijkende taalwetenschap denken dat er ongeveer 7000 jaar geleden
in Zuid-Rusland een volk leefde, waarvan de taal de oorsprong is van bijna alle Europese talen en
van veel West- en Midden-Aziatische talen. Dit volk wordt aangeduid als de Proto-Indo-Europeërs,
of kortweg Indo-Europeërs. (De term Indogermanen wordt alleen nog in het Duits gebruikt.)
In het vierde millennium verlieten groepen Indo-Europeërs hun oorspronkelijke woonland, op zoek
naar betere levensomstandigheden. Een van deze groepen, de Indo-Iraniërs, trok naar het oosten.
Een deel van de groep trok Iran binnen. Het andere deel vestigde zich in India waar na veel strijd
het noorden werd veroverd op de volkeren die daar al eeuwenlang woonden. De taal van de Indiërs,
het Oudindisch, had zich via het Proto-Indo-Iraans uit het Proto-Indo-Europees ontwikkeld.

De Indische priesterkaste wilde de taal van hun oude hymnen zo veel mogelijk onveranderd laten,
zodat deze hun doeltreffendheid zouden behouden. (Een verkeerd uitgesproken woord noodzaakte
de priesters ertoe een ritueel in zijn geheel over te doen.) De volkstaal ontwikkelde zich inmiddels
ongehinderd, een situatie zoals die waarin Klassiek Latijn en Vulgair Latijn naast elkaar bestonden.

De kloof tussen de taal van de heilige overleveringen en de dagelijkse gesproken taal werd breder
in de loop van de eeuwen. Dit verschijnsel leidde tot een diepgaande studie van taalverschijnselen,
in het bijzonder van fonetiek. Deze vroege Indische wetenschap betrof niet alleen de gewijde taal,
maar ook verscheidene eigentijdse talen. Het doel was een gecultiveerde, elegante uitspraak voor
deze talen vast te leggen. Het adjectief hierbij is saṃskṛta “samengesteld”, “beschaafd”, “sierlijk”.
Het Oudindisch bestaat dan ook uit Vedisch Sanskrit (genoemd naar de heilige boeken, de Veda’s)
en Klassiek Sanskrit waarin de Indische godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap zijn opgetekend.
In het Klassiek Sanskrit is ook een veelomvattende verzameling letterkundige werken vastgelegd:
de grote epen (Mahābhārata en Rāmāyaṇa), toneelstukken (zoals die van Kālidāsa), fabels, …


Ad-Blankestijn-column

Deze column werd geschreven door Ad Blankestijn, de oprichter van Instituut Blankestijn. Ad Blankestijn was vernieuwend. Als bevlogen onderwijsman introduceerde hij het particulier onderwijs in Nederland. In 1965 stichtte hij zijn eigen school: Instituut Blankestijn. In 2015 overleed Ad Blankestijn.

Blankestijn gaf les, voerde persoonlijk de directie en was ook vaak in het weekeinde op zijn instituut te vinden. Dat Instituut verwierf een uitstekende reputatie, met prima opgeleide medewerkers en goede examenresultaten. In 1999 bouwde Blankestijn zijn concept ‘laatste twee jaar in één‘ uit tot een volledige opleiding van klas 1 tot en met het examenjaar.
Baanbrekend was Ad Blankestijn eveneens, toen hij in 2003 als eerste begon met de particuliere basisschool.

In 2008 nam hij afscheid van zijn instituut. Hij nam zich voor om vooral veel te blijven lezen en zich te blijven ontwikkelen, een eis die hij ook aan zijn medewerkers stelde. Hij bracht zijn laatste jaren door in zijn geliefde Frankrijk en schreef toen deze columns.

Het Instituut wordt door Frans van Heijningen met de huidige medewerkers als een familiebedrijf voortgezet, overeenkomstig het gedachtengoed van Ad Blankestijn.