Interview VuMC met onze particuliere school

De privéschool: falen is geen optie

De leerlingen van Instituut Blankestijn, een kleine particuliere school voor voortgezet onderwijs, zijn vanuit hun achtergrond – bemiddelde, hoogopgeleide ouders – voorbestemd, niet alleen om door te studeren, maar liefst ook aan een prestigieuze opleiding. Vaak weten ze precies wat ze willen, en zo niet, dan helpt de school ze dat duidelijk te krijgen. Het zijn bijzondere leerlingen, vertelt rector Frans van Heijningen, die in een gewone vwo-setting niet goed gedijen of wars zijn van een ‘zesjescultuur’. Ze worden op de school intensief gecoached, om zich te kwalificeren voor bijvoorbeeld IBA in Rotterdam, de School of Law in Utrecht, een buitenlandse universiteit of om te worden geselecteerd voor geneeskunde. Ze werken in kleine groepen en gemiddeld elke zes weken is er een gesprek met de rector, waar ook de ouders bij zijn. “Falen is geen optie” zeg de rector. “En als een student een studie ambieert, maar moeite heeft met bepaalde vakken, dan zeggen we niet: jammer, maar daar ben je niet goed genoeg in. We gaan daar juist extra op inzetten”.


Kiezen voor je toekomst

Rector Kees Buijtelaar: “Ontdekken waar je goed in bent, daar gaat het om”

Een studie kiezen gaat niet vanzelf. Dat geldt zeker voor de leerlingen van het Comenius Lyceum in Amsterdam-West. Ze komen vrijwel allemaal uit milieus waar het niet vanzelfsprekend is dat je docent, arts of advocaat wordt. Bovendien hebben ze ook nogal eens een taalachterstand. Daarom is op het Comenius Lyceum is vanaf jaar één alles erop gericht om voor elke individuele leerling het pad naar de toekomst uit te zetten. Het ‘briefje’ halen is niet het enige doel. Een gesprek met rector Kees Buijtelaar.

Waarom moeten leerlingen al zo vroeg aan de slag gaan met hun toekomst?

Buijtelaar: “Onze leerlingen volgen havo of vwo en zijn dus intelligent genoeg om straks naar een universiteit of hogeschool te kunnen. Maar omdat er in hun omgeving vrijwel geen rolmodellen zijn, hebben ze vaak geen duidelijk beeld van een studie of beroep. Ons doel is leerlingen zo te begeleiden dat ze kunnen ontdekken waar ze goed zijn, dat ze ervaren hoe ze hun talenten kunnen ontwikkelen en erachter komen wat ze daar later mee willen gaan doen. Dat is een leerproces, het gaat niet vanzelf. Met elke leerling die bij ons binnenkomt gaan we daarom een contract aan. Dat contract houdt in dat die leerling zijn diploma gaat halen, maar ook bewust werkt aan zijn ontwikkeling, ontdekt hoe hij zich later kan inzetten voor de samenleving en welke opleiding daar bij past. We hebben daarvoor een eigen systeem ontwikkeld met rubrieken van vaardigheden. De leerling houdt dat zelf bij en legt een portfolio aan met mijlpalen [voorbeelden?]. Dat betekent dat stof overdragen en cijfers geven een ondergeschikte rol spelen; het draait bij ons vooral om gesprekken met leerlingen over hoe ver ze zijn met de doelen die ze zichzelf hebben gesteld. Ze geven zelf aan welke hulp of begeleiding ze nodig hebben. Als je op die manier met leren omgaat, kun je leerlingen veel beter begeleiden naar de studiekeuze toe.”

Veel leerlingen komen op jullie school binnen met een taalachterstand. Is dan zo’n vorm van leren, waarbij het draait om zelfinzicht en communicatie daarover, niet extra moeilijk?

“In de onderbouw zie we dat die achterstand steeds minder groot wordt. De ouders van de meeste kinderen zijn zelf ook in Nederland geboren. In de bovenbouw speelt het nog wel een rol. Daar moeten we dan extra aandacht aan besteden, want we hebben gemerkt dat het ondanks de ontwikkeling die ze hier hebben doorgemaakt, alsnog mis kan gaan tijdens de studie door dat taalprobleem. En we vragen docenten van de faculteiten om ons uit te leggen wat er aan kennis en vaardigheden nodig is om dat eerste jaar door te komen. Daarmee krijgen leerlingen een beter beeld van de studie en kunnen ze zich er gericht op voorbereiden.”

De geneeskundeopleiding van VUmc ziet decentrale selectie als een manier om ook meer studenten met een andere culturele achtergrond aan te trekken. Maar hebben die geen slechte startpositie ten opzichte van kinderen die van huis uit veel kansen hebben gehad om extra buitenschoolse ervaringen op te doen? Denk aan sport, muziek, reizen etc.

“Ik heb het idee dat de faculteiten zich hier er wel bewust van zijn. Dat ze beseffen dat dit geen signalen zijn van een verminderde gemotiveerdheid of intellectuele capaciteiten. In tegendeel zelfs. Vergeet niet dat kinderen op een school als de onze, met alleen havo en vwo, bovengemiddeld gemotiveerd en slim zijn. Zeker de kinderen in de bovenbouw, wier ouders vaak niet hier zijn geboren, hebben heel wat moeten overwinnen om al naar deze school te kunnen. Ze zijn dus extra gemotiveerd en ambitieus. En ze staan er vaak alleen voor. Ik hoor van leerlingen dat het soms heel moeilijk is om thuis te moeten uitleggen dat ze naar de universiteit willen. Het geeft veel onrust in families. Met zo’n stap nemen ze in zekere zin definitief afscheid van de geborgenheid van thuis. Maar tegelijkertijd brengen ze ook veel moois mee uit hun cultuur. Als we ze uitdagen ze uit om dingen naast school te organiseren komen ze vaak met plannen om iets voor anderen te doen: bejaarden, kinderen. Die zorgzaamheid is iets wat in hun families misschien juist weer wél heel vanzelfsprekend is.”

Rector Kees Buijtelaar: “Cijfers zeggen lang niet alles”

“De focus op cijfers bij studiekeuze of selectie vind ik nogal fabrieksmatig. Een decaan die een leerling het advies geeft ‘neem maar geen profiel met wiskunde B want dat gaat niet zo lekker’ sluit daarmee misschien voorgoed een belangrijke weg af. Maar het is ook omgekeerd: een leerling die op school hoge cijfers haalt voor biologie hoeft nog niet geschikt of gemotiveerd te zijn voor een studie op dat gebied.”

Overheid wil uitval voorkomen
De overheid wil dat zowel scholen voor voortgezet onderwijs als universiteiten en hogescholen zich meer inspannen om te voorkomen dat leerlingen een verkeerde studiekeuze maken. Daarom organiseren veel universiteiten tegenwoordig zogeheten matchingsprogramma’s of studiekeuzechecks. Daarin kan een leerling erachter kan komen of hij een bepaalde studie aansluit bij zijn interesse, ambitie en vaardigheden. Daarnaast zijn er opleidingen die streng selecteren, zoals geneeskunde, de University Colleges of de Utrechtse School of Law. Middelbare scholen zetten op hun beurt met leerlingen het zogeheten LOB-traject uit: loopbaanoriëntatie en begeleiding. Wat dat inhoudt verschilt vooralsnog per school, maar vaak houdt het niet veel meer in dan een op rapportcijfers gebaseerd advies voor de profielkeuze in het derde leerjaar.

“Na die biologieopdracht wist ik het”
Cisca [leeftijd] deed ooit een beroepskeuzetest, waar uitkwam dat rechten wel bij haar paste. “Heel gek, want ik ben een echte bèta en ook nog heel dyslectisch.” Vanuit school was er geen begeleiding of advies bij het kiezen van een studie. “We kregen alleen af en toe mails als er weer voorlichtingsdagen waren.” Ze werd er niet veel wijzer van. Maar toen ze in de 4e onder begeleiding van twee studenten weefsel mocht onderzoeken op de aanwezigheid van kankercellen, viel alles op z’n plaats. “Het waren de twee leukste uren van mijn middelbare schooltijd. Toen wist ik opeens zeker dat ik een medisch getinte studie wilde gaan volgen.” Ze heeft zich inmiddels aangemeld voor de decentrale selectie biomedische wetenschappen.

Decentrale selectie was overal anders”
Voor Emma [leeftijd] was het van jongs af aan duidelijk dat ze arts wil worden. Ze heeft ooit maar één keer een voorlichtingsdag bezocht, toen ze nog in de 5e klas zat. Maar dat was een bevestiging van wat ze al wist. De realiteit bleek helaas weerbarstiger. Pas onlangs heeft ze, na twee eerdere pogingen, een plek bemachtigd. Emma: “Alle drie de keren verliep de selectie anders. De eerste keer deed ik mee aan de Erasmusuniversiteit. Daar speelde je cv een belangrijke rol en omdat ik er veel naast heb gedaan toen ik nog op school zat, dacht ik dat wel een goede kans maakte. Maar het bleek toch ook om andere dingen te gaan. De tweede keer, aan de UvA, kreeg je een inzichttoets waar je eigenlijk niet voor kon leren. Die was heel erg moeilijk.” Afgelopen voorjaar was het nu of nooit, ze had een laatste kans aan de Universiteit Utrecht. Daar ligt bij de selectie veel nadruk op kennis, met name op het gebied van anatomie en fysiologie. “Ik heb de stof gezien”, vertelt haar moeder Els Ahsmann, zelf medisch specialist, “en ik vond het niveau enorm hoog. Ik weet eerlijk gezegd niet of ik al die kennis zelf nog paraat zou hebben.” Emma vond de toetsen ook heel pittig, maar, zegt ze, “het was gewoon een kwestie van flink blokken.”

“Ik kreeg een goed beeld van wat me te wachten staat”
Roan (17) zit in 5 vwo en weet sinds de derde klas dat hij arts wil worden. Het afgelopen jaar bezocht hij de geneeskunde voorlichtingsdagen en open dagen van UvA en VU en heeft ook al een dag proefstuderen achter de rug. “Ik heb een goed beeld gekregen van wat me te wachten staat. Dat was echt nodig want op school doen ze daar niet zo veel aan. Je kunt wel altijd bij de decaan te recht als je iets wilt weten en er komen wel eens mensen langs van universiteiten om iets te vertellen, maar veel wijzer wordt je daar niet van.” Van de zomer gaat Roan als vrijwilliger werken in een verzorgingstehuis. Hij lijkt hem leuk werk en hij verwacht dat het kan helpen om door de selectie te komen.